De jaarlijkse introductie, volle kroegen op doordeweekse avonden en de
nadrukkelijke aanwezigheid van studentenverenigingen zijn vanzelfsprekendheden
in Nijmegen. Anno 2012 vertoeven ruim 30.000 studenten in de stad aan de Waal.
Ongeveer 18.000 daarvan studeren aan de voormalige katholieke universiteit. De
vestiging van die academische leerfabriek in de jaren twintig van de vorige
eeuw was verre van vanzelfsprekend. Vooral het katholieke karakter leidde tot
commotie.
Neerlandicus Martinus Poelhekke hield in 1899 te Amsterdam de invloedrijke
toespraak Het tekort der katholieken in de wetenschap. In deze rede, een jaar
later nog eens uitgebracht in een brochure, betoogde hij de grote intellectuele
achterstand van katholieken in Nederland. Zijn belangrijkste bewijs hiervoor
was de eenvoudige rekensom dat de ‘hoogopgeleide beroepen’, zoals
artsen en advocaten, vooral door protestanten, liberalen en socialisten werden
beoefend.
Poelhekke verklaarde deze achterstand voor een deel door de bewuste
achterstelling in het overwegend protestante land. Belangrijker was zijn
conclusie dat het aan de katholieken zelf lag. Zij vonden het wel best, volgens
de Rooms-katholieke neerlandicus. De kerk was immers een hoger doel dan de
wetenschap.
Hoewel zijn stelling in eerste instantie veel weerstand opriep, had hij het
zelfbewustzijn van de katholieken in Nederland definitief aangewakkerd. Er
moest wat gebeuren, de achterstand moest worden ingehaald. Nederlandse
bisschoppen staken de koppen bij elkaar en richtten in 1905 de Sint
Radboudstichting op. De stichting legde zich volledig toe op het oprichten van
een universiteit, speciaal voor katholieken.
Dat klonk verschillende steden als muziek in de oren. In de overwegend
katholieke provincies stelden Den Bosch, Tilburg en Maastricht zich kandidaat
voor de vestiging. In 1911 mengde ook Nijmegen zich in de strijd. Iedere stad
richtte zijn eigen werkgroep op om de bisschoppen van de stichting te paaien.
In Nijmegen riep burgemeester Van Schaeck Mathon een adviescommissie in het
leven waarin onder andere een historicus en een letterkundige zitting namen.
Zij wisten het spel goed te spelen.
Moddergooien
De kandidaat-steden begonnen ongegeneerd tegen elkaar op te bieden. Zo bood
Tilburg een jaarlijkse bijdrage van 150.000 gulden en stelde Maastricht zelfs
250.000 per jaar in het vooruitzicht. Daarnaast werden de mooiste gebouwen
beloofd om de universiteit in te huisvesten.
De Nijmeegse commissie gooide het over een andere boeg. Ze maakte slim gebruik
van de ligging van de stad en de aanwezigheid van niet-katholieken. Terwijl de
Brabantse en Limburgse steden zich neerzetten als de ultieme katholieke centra,
verkocht Nijmegen zichzelf als de perfecte schakel tussen katholiek en
niet-katholiek, maar ook tussen het katholieke zuiden en de katholieken in
Oost-Nederland.
In 1920 kozen de bisschoppen officieus voor Nijmegen. Maar de strijdbijl was
nog lang niet begraven. Integendeel, het ontaardde in het soort moddergooien
dat lijkt op een vuile Amerikaanse verkiezingscampagne. Zo werd Tilburg
afgeschilderd als een vieze industriestad waar nooit slimme mensen vandaan
konden komen. Nijmegen werd op haar beurt beschuldigd van een ‘zeer laag
moreel peil’, vol met ‘publieke vrouwen’. Toch bleef de
stichting bij haar keuze voor Nijmegen.
Nu brandde de strijd los binnen de Nijmeegse stadsgrenzen. De commissie had de
katholieke universiteit wel leuk naar de stad gelokt, maar daar zaten de
niet-katholieken helemaal niet op te wachten. De gemeenteraad moest het plan
nog goedkeuren, dus protestanten, liberalen en socialisten bundelden hun
krachten om dit te voorkomen.
Zowel de voorstanders als de tegenstanders schakelden regionale media in en
verspreidden aan de lopende band pamfletten. De hele stad raakte zo bij de
discussie betrokken. Dagelijks waren er demonstraties of hielden beide partijen
toespraken. Tegenstanders vonden de kosten te hoog, vooral omdat op deze manier
ook protestantse burgers meebetaalden aan een katholieke uitspatting. Bovendien
waren zij bang voor de ‘verroomsing’ van de stad. Voorstanders
noemden de komst van een universiteit juist goed voor de economie en
voorspelden een culturele impuls. Daarnaast zou een universiteit goed zijn voor
het aanzien van de stad.
Op 7 februari kwam het plan met een nipte meerderheid door de gemeenteraad.
Rond het stadhuis had zich voor de gelegenheid een menigte verzameld. Toen het
nieuws naar buiten kwam dat het voorstel was goedgekeurd, klonk luid gejuich
door de straten van het Nijmeegse centrum. Ruim een half jaar later, op 17
oktober 1923, opende de Katholieke Universiteit Nijmegen haar deuren.
•