[voorpagina] ~ [abonnement] ~ [nieuwste editie] ~[colofon] ~ [eerder verschenen nummers]
[ vooraf ]
---
Al dertig jaar een stem
---
[ Braams blik ]
---
Henk Braam kijkt naar Nijmegen
---
[ Cartoon ]
---
Nijmegen legt lat hoog voor nieuwe burgermeester
---
[ Recensies ]
---
[ hoor ]
Goudeerlijke melodieën en ijzersterke songteksten

---
[ verder ]
---
[ Column ]
Dik Hout
Kapotbouwen

---
[ Column ]
Nijmeegse Zaken

---
Kort en bondig
---
[ meest gelezen ]
---
Artikel:
Van A naar Beroerd <
Editie: februari 2010

---
Artikel:
Het nieuwe stenen tijdperk

 Editie: december 2009
---
Artikel:
Linksom wandelen in het centrum
Editie: mei 2009

---
Artikel:
Valkhofpark symbool van vergane glorie

Editie: mei 2010
---


--== cultuur ==--

Nijmegen, 17 oktober 1923

De jaarlijkse introductie, volle kroegen op doordeweekse avonden en de nadrukkelijke aanwezigheid van studentenverenigingen zijn vanzelfsprekendheden in Nijmegen. Anno 2012 vertoeven ruim 30.000 studenten in de stad aan de Waal. Ongeveer 18.000 daarvan studeren aan de voormalige katholieke universiteit. De vestiging van die academische leerfabriek in de jaren twintig van de vorige eeuw was verre van vanzelfsprekend. Vooral het katholieke karakter leidde tot commotie.

door Roeland Segeren

De Katholieke Universiteit Nijmegen aan het Keizer Karelplein in 1925.
foto: Regionaal Archief Nijmegen

Klik op het plaatje om te vergroten

Neerlandicus Martinus Poelhekke hield in 1899 te Amsterdam de invloedrijke toespraak Het tekort der katholieken in de wetenschap. In deze rede, een jaar later nog eens uitgebracht in een brochure, betoogde hij de grote intellectuele achterstand van katholieken in Nederland. Zijn belangrijkste bewijs hiervoor was de eenvoudige rekensom dat de ‘hoogopgeleide beroepen’, zoals artsen en advocaten, vooral door protestanten, liberalen en socialisten werden beoefend.

Poelhekke verklaarde deze achterstand voor een deel door de bewuste achterstelling in het overwegend protestante land. Belangrijker was zijn conclusie dat het aan de katholieken zelf lag. Zij vonden het wel best, volgens de Rooms-katholieke neerlandicus. De kerk was immers een hoger doel dan de wetenschap.

Hoewel zijn stelling in eerste instantie veel weerstand opriep, had hij het zelfbewustzijn van de katholieken in Nederland definitief aangewakkerd. Er moest wat gebeuren, de achterstand moest worden ingehaald. Nederlandse bisschoppen staken de koppen bij elkaar en richtten in 1905 de Sint Radboudstichting op. De stichting legde zich volledig toe op het oprichten van een universiteit, speciaal voor katholieken.

Dat klonk verschillende steden als muziek in de oren. In de overwegend katholieke provincies stelden Den Bosch, Tilburg en Maastricht zich kandidaat voor de vestiging. In 1911 mengde ook Nijmegen zich in de strijd. Iedere stad richtte zijn eigen werkgroep op om de bisschoppen van de stichting te paaien. In Nijmegen riep burgemeester Van Schaeck Mathon een adviescommissie in het leven waarin onder andere een historicus en een letterkundige zitting namen. Zij wisten het spel goed te spelen.

Moddergooien

De kandidaat-steden begonnen ongegeneerd tegen elkaar op te bieden. Zo bood Tilburg een jaarlijkse bijdrage van 150.000 gulden en stelde Maastricht zelfs 250.000 per jaar in het vooruitzicht. Daarnaast werden de mooiste gebouwen beloofd om de universiteit in te huisvesten.

De Nijmeegse commissie gooide het over een andere boeg. Ze maakte slim gebruik van de ligging van de stad en de aanwezigheid van niet-katholieken. Terwijl de Brabantse en Limburgse steden zich neerzetten als de ultieme katholieke centra, verkocht Nijmegen zichzelf als de perfecte schakel tussen katholiek en niet-katholiek, maar ook tussen het katholieke zuiden en de katholieken in Oost-Nederland.

In 1920 kozen de bisschoppen officieus voor Nijmegen. Maar de strijdbijl was nog lang niet begraven. Integendeel, het ontaardde in het soort moddergooien dat lijkt op een vuile Amerikaanse verkiezingscampagne. Zo werd Tilburg afgeschilderd als een vieze industriestad waar nooit slimme mensen vandaan konden komen. Nijmegen werd op haar beurt beschuldigd van een ‘zeer laag moreel peil’, vol met ‘publieke vrouwen’. Toch bleef de stichting bij haar keuze voor Nijmegen.

Nu brandde de strijd los binnen de Nijmeegse stadsgrenzen. De commissie had de katholieke universiteit wel leuk naar de stad gelokt, maar daar zaten de niet-katholieken helemaal niet op te wachten. De gemeenteraad moest het plan nog goedkeuren, dus protestanten, liberalen en socialisten bundelden hun krachten om dit te voorkomen.

Zowel de voorstanders als de tegenstanders schakelden regionale media in en verspreidden aan de lopende band pamfletten. De hele stad raakte zo bij de discussie betrokken. Dagelijks waren er demonstraties of hielden beide partijen toespraken. Tegenstanders vonden de kosten te hoog, vooral omdat op deze manier ook protestantse burgers meebetaalden aan een katholieke uitspatting. Bovendien waren zij bang voor de ‘verroomsing’ van de stad. Voorstanders noemden de komst van een universiteit juist goed voor de economie en voorspelden een culturele impuls. Daarnaast zou een universiteit goed zijn voor het aanzien van de stad.

Op 7 februari kwam het plan met een nipte meerderheid door de gemeenteraad. Rond het stadhuis had zich voor de gelegenheid een menigte verzameld. Toen het nieuws naar buiten kwam dat het voorstel was goedgekeurd, klonk luid gejuich door de straten van het Nijmeegse centrum. Ruim een half jaar later, op 17 oktober 1923, opende de Katholieke Universiteit Nijmegen haar deuren. •

 

Webmaster: Joris Teepe