Nijmegen speelde een bepalende rol in de geschiedenis van de heksenvervolging volgens gemeenteraadslid Marieke Smit. Ze ziet dat de structuren die heksenvervolging mogelijk maakten nog steeds bestaan en pleit voor bewustwording en eerherstel.
In samenwerking met historicus Hans van Oerle kwam GroenLinksgemeenteraadslid Marieke Smit in april met het initiatiefvoorstel ‘Eerherstel Nijmeegse slachtoffers van heksenvervolging’. In Nijmegen zijn tien gevallen bekend, twee mannen en acht vrouwen. Ze pleit ervoor straatnamen te vernoemen naar deze slachtoffers. „Straatnamen worden dagelijks uitgesproken, daarom is dit een mooie manier om de slachtoffers weer onderdeel van onze stad te maken.”
Ontmenselijken

Hoewel heksenvervolging tot het verre verleden lijkt te behoren, ziet Smit duidelijke overeenkomsten tussen de tijd van de heksenvervolging en de huidige tijd. Denk aan vrouwenhaat, complotdenken en het aanwijzen van zondebokken. Volgens haar lagen er specifieke voorwaarden ten grondslag aan de heksenvervolging, zoals strenge sociale, culturele en religieuze normen en intolerantie voor andersdenkenden. Religiewetenschapper Arjan Sterken beargumenteert dat ook het ontmenselijken van mensen een voorwaarde is voor heksenvervolging en martelen. „Tolerantie en vrouwenrechten staan ook in onze tijd onder druk”, geeft Smit aan. „Kijk alleen maar naar Afghaanse en Iranese vrouwen die uit het openbare leven worden verbannen of de verkiezing van een Amerikaanse president die het zelfbeschikkingsrecht van vrouwen inperkt.”
Leugens
‘Vrouwen zijn jaloers, wraakzuchtig en geneigd tot leugens’, schreef de monnik Heinrich Kramer in de Malleus Maleficarum of Heksenhamer(1487). En: ‘Alle hekserij komt voort uit de wellust van vrouwen.’ Het boek verspreidde zich in rap tempo in Europa en had tot gevolg dat ‘afwijkende’ vrouwen steeds vaker vervolgd werden voor hekserij. Het ging vooral om alleenstaande, oudere vrouwen zonder invloedrijke bescherming.
Tussen 1469 en 1603 waren dertig- tot zestigduizend Europeanen slachtoffer van heksenvervolging. Het eerste bekende slachtoffer van heksenvervolging in Nijmegen is Sander van Loenen, die in 1469 op de brandstapel werd gezet. Henneke Versteegh werd verdronken. Zij en haar dochter Neele werden opgepakt in Ooij en veertig dagen gemarteld, tot ze bekenden met de duivel te dansen en toverzalf te gebruiken. Een dergelijke bekentenis was nodig om de vermeende heksen tot ‘geloofsafval’ te veroordelen, waar de doodstraf op stond. Dit verklaart het inschakelen van een beul uit Kleef door Nijmegen. Uiteindelijk ontwikkelde Nijmegen zelf expertise in het folteren van vermeende heksen en deze kennis en de beul werden gedeeld in de regio. Hierdoor speelde Nijmegen steeds meer een bepalende rol in de geschiedenis van de heksenvervolging en kwamen er meer vervolgingen in de regio.
Door straatnamen te vernoemen naar de slachtoffers van heksenvervolging wordt bijgedragen aan bewustwording en krijgen de slachtoffers hun plek in Nijmegen terug. Smit: „Bijna zeshonderd jaar later is het nog steeds belangrijk om deze geschiedenis te kennen.”

