Frances Nijssen vecht al haar hele leven voor een betere wereld. [foto Jan Lintsen].
Na onderdompeling in de vrouwen- en studentenbeweging van de jaren zeventig en tachtig, beschreven in deel 1 Blij met het Nijmeegse actie- en emancipatieparadijs in de jaren zeventig, ontwikkelt neerlandica en organisatiepsycholoog Frances Nijssen een bloeiende coachingspraktijk voor personen en organisaties. Ze geeft daarbij haar spirituele kant ruimte en blijft rebels.

„Na mijn studie Nederlands wilde ik niet voor de klas staan. In de jaren zeventig zetten we vanuit de vrouwenbeweging een tweejarige Voortgezette Opleiding Vrouwenwerk op de Sociale Academie De Kopse Hof op. We ontwikkelden onder andere vrouwenhulpverlening en genderspecifieke vormen van leren verder. We wilden ook meer vrouwen op leidinggevende posities. Na een tussenjaar werd ik toegelaten tot deze opleiding met mijn werk in De Feeks als ‘praktijk’. Na afronding kreeg ik er een onderzoeksbaan en daarna werkte ik er tweeëntwintig jaar als docent. De opleiding werd later deel van de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. Ik had er een beetje een buitenpositie. Werd soms wat te innovatief gevonden.

Daarnaast startte ik een eigen bedrijf voor het begeleiden van veranderingsprocessen bij organisaties. Het werken bij vrouwencafé De Feeks heeft me daarin sterk gevormd. We experimenteerden daar met wellicht overgedemocratiseerde processen, maar het leerde me dat een bedrijf gemaakt wordt door mensen en dat het relationele ongelooflijk belangrijk is. Als je relaties goed zijn, kun je samen ver komen. Bij De Feeks hadden we vrouwen met heel verschillende achtergronden en belangen en meerdere grote conflicten. Ik leerde er wat wel en wat niet werkt. We organiseerden bijvoorbeeld binnen drie maanden een groot internationaal vrouwenmuziekfestival. Daar klopten de werkverhoudingen, iedereen wilde graag meedoen, er waren geen conflicten.”

Rebels
„Ik heb honderden vrouwelijke managers opgeleid en gestimuleerd om op hun eigen manier leiding te geven. Vrouwen hebben in het algemeen meer oog voor de relaties in een bedrijf, als leidinggevenden met hun team. Harmonische relaties in hun werk is voor hen een behoefte en bijna noodzakelijke voorwaarde. Mannen hebben hele andere relaties met elkaar, meer competitief. Met meer vrouwen in de top van een bedrijf, die goed zijn in hun vak en als extra factor meer aandacht voor het relationele in de organisatie brengen, functioneert een bedrijf beter. Dat laten onderzoeken nog steeds zien.

De mensen die ik nog ken van de studenten- en vrouwenbeweging hebben hun ideeën van toen meegenomen in hun werk. Ze zitten in een reguliere baan in het onderwijs of op een kantoor maar hebben daar een rebelse of innovatieve naam. Door het feminisme leerden we allemaal het belang kennen van zelf nadenken en niets voetstoots aannemen.” 

Mensen geboren tussen 1945 en 1955 zijn babyboomers. Nijssen hoort daar net nog bij. Jongeren geven deze generatie wel de schuld van hoe de wereld er nu uitziet, met alle klimaatproblemen. Maar Nijssen en haar actiegenoten democratiseerden de universiteiten, streden voor gelijke behandeling van mannen en vrouwen, hetero’s en homo’s, zwarten en witten. Ze vochten tegen kernenergie en kernbommen en voor vrede. In de jaren zestig en zeventig startten allerlei initiatieven om de wereld minder te belasten met gif en om biologisch en vaak ook vegetarisch te eten met producten van een lokale boer. 

Ontdekkingstocht 
„Onze generatie begon haar loopbaan in een tijd met hoge werkloosheid. Daarna nam de economie een grote vlucht, door de inkomsten van de gasbel en de internationalisering van de handel. Er ontstond steeds meer welvaart. Wat onze generatie aan te rekenen is, is dat we onze kinderen verwend hebben. We hebben hen zonder beperkingen de wereld gegeven, zonder te kijken of de wereld dat wel aankon. Ik heb nog een intervisiegroep, een gespreksgroep met mensen uit hetzelfde vakgebied om ons werk te bespreken, van het vrouwenteam uit de tijd van De Kopse Hof. Daar hebben we het er vaker over of we wel genoeg doen voor de wereld omdat we nu meer op microniveau bezig zijn dan in onze jeugd. Toen waren we meer met het algemeen maatschappelijk belang bezig, met acties die effecten hadden op publiciteit en maatschappelijke ontwikkeling. In 2005 was er een lesbischevrouwenbattle met oude en jonge vrouwen. De jonge lesbiennes vertelden over hun strijd, bijvoorbeeld rond lesbisch moederschap, wat in die tijd nog behoorlijk in de kinderschoenen stond. De jonge vrouwen verweten onze generatie dat we comfortabel in onze huizen zaten en maatschappelijk niets meer deden. Dat kwam hard aan. Ik gaf toe dat we te weinig meededen, maar ik vertelde ze ook hoe mijn leven was toen ik vijftien was, zo verstopt, zo onderdrukt. En hoe mijn ontdekkingstocht eruitzag. Het was een verzoenend mooi gesprek. Sindsdien heb ik een aantal jonge lesbiennes in mijn kennissenkring gekregen.”

Homohuwelijk
„Ik ben eind jaren tachtig gevraagd voor de eerste Adviesgroep Homo- en Lesbisch Beleid van de gemeente Nijmegen, waar ik samen met Anneke Nolet de eerste voorzitter van was. Daar zat ook Lenie Scholten in, later wethouder in Nijmegen. Het was een kans om het gemeentelijk beleid te beïnvloeden. Dat is een ander verhaal dan actievoeren of tegencultuur organiseren. Een belangrijk item was toen of de gemeenteraad voor of tegen het homohuwelijk moest stemmen. Wij waren voor en dat werd overgenomen, maar een groot deel van de hele gemeenschap inclusief het COC viel over ons heen: het huwelijk werd als een onderdrukkend instituut gezien, dus daar wilden zij niet aan meedoen. Maar dat het homohuwelijk er kwam hielp erg bij het normaliseren en legaliseren van homoseksuele en lesbische relaties. Natuurlijk moesten er eerst met een breekijzer vaste patronen en denkwijzen doorbroken worden, maar nu vind ik normalisatie en zichtbaar maken belangrijk. Onze generatie heeft het lesbische en homoleven redelijk genormaliseerd. We zijn ‘gewone’ mensen geworden en onze seksuele gerichtheid is deel-identiteit.

Gandhi-ashram
„Mijn leven telt een aantal persoonlijke crises, zoals iedereen die wel zal hebben. De belangrijkste rond mijn werk was in 1994. Ik was succesvol, maar niet gelukkig. Ik leidde vrouwelijke managers op en kwam steeds meer terecht in de grote managementadvieswereld. Die verkende ik, maar ik voelde me er niet thuis. Toen ben ik een jaar gestopt met werken en naar een Gandhi-ashram in Indonesië gegaan. Ik miste bewogenheid en het spirituele in mijn leven, dat was ik wat kwijtgeraakt en gaf ik toen weer meer ruimte. Er was altijd al een spirituele laag in mijn leven. Toen ik vijftien was, was ik al student van Robert van Heeckeren, die yoga en meditatie gaf, en ik was zeer geïnteresseerd in de ideeën van Gandhi over organiseren. Die zei: ‘Doe niet wat je wilt doen, maar doe wat je moet doen’. Dat had ik op mijn visitekaartje staan: ‘omdat de juiste stap niet altijd die is waar je op te wachten zit’. Toen ik terugkwam, ging ik op zoek naar spirituele ondersteuning in Nederland en kwam ik terecht bij het Tibetaans Boeddhistisch centrum Jewel Heart. Daarnaast deed ik de opleiding Unity in Duality in de boeddhistische psychologie. Langzamerhand ben ik naast student daarin ook groepsleider en docent geworden. Maar ook in het spirituele ben ik nogal rebels. Ik vind traditie indrukwekkend en rijk, maar niet zinvol als deze zich niet zo uitdrukt dat die mensen helpt in het dagelijks leven. De kracht van het relationele, de verbinding met mensen, staat bij mij hoog in het vaandel. Mensen delen dezelfde vragen. ‘Hoe word ik gelukkig. Hoe maak ik een betere wereld’.

 Breuken
„Ik zit in veel leiderschapsprogramma’s bij bijvoorbeeld defensie, politie en andere bestuursopleidingen. Dat gaat om meer dan een goede manager worden. Voor een leider gaat het primair niet om geld, status, macht, maar om een andere inspiratie: ‘Ik weet dat ik dingen goed doe, maar doe ik ook de goede dingen?’, was de vraag van een van mijn gesprekspartners.”

Nijssen is niet pessimistisch over de huidige tijd. „Vroeger dachten we dat we wisten hoe de wereld in elkaar steekt. Ik ben nu bescheidener en weet dat het een lange adem vraagt om ergens te komen. Ik vind dat wij in de jaren zeventig en tachtig mooie stappen hebben gezet en kijk daar met tevredenheid op terug. Nu zijn er hele andere stappen nodig, een andere generatie is aan zet. Ik ben blij dat ik mijn drive heb kunnen houden. Ik probeer de wereld te begrijpen zoals die is, zoek naar touwtjes om aan te trekken om stapje voor stapje voorwaarts te gaan. Als ik in deze tijd twintig was, zou ik het heel moeilijk hebben. Mensen van nu zijn gelukkig wel beter voorbereid, hebben heel andere bagage meegekregen. Toch zie ik veel jonge briljante mensen die stukgaan aan de veelheid van keuzes en mogelijkheden en het gevoel van niet te mogen falen. Zij hebben net als wij vroeger steun nodig.

Het ontroerendste van mijn werk vind ik dat ik naast mensen mag staan die worstelen met moeilijke vragen van het leven. Dingen die je overkomen en waar je een antwoord op moet zien te vinden of gewoon maar je hoofd voor moet buigen en doorgaan. Ik weet uit eigen ervaring hoe je soms alles opnieuw moet opbouwen en ben niet meer zo bang voor diepe breuken. Als je erin zit is het vreselijk, maar het is een leerschool, meestal is er een ander draadje dat opgepakt moet worden.”


U kunt reageren op dit artikel via een e-mail naar redactie@denijmeegsestadskrant.nl