Rob Jaspers: „Trage journalistiek is belangrijker geworden in deze tijd.” [foto Jan Lintsen].
Nijmegenaren kennen Rob Jaspers als journalist, debatleider en begeleider van Waaltochten. Hij informeerde bij die tochten al meer dan 60.000 mensen over de ontwikkelingen langs de Waal. Om burgers bij de ontwikkeling van de stad te betrekken organiseerde hij honderden debatten. Ruim dertig jaar deed hij in de Gelderlander verslag van zijn onderzoeken naar wat er in Nijmegen speelt. Dag en nacht was hij bezig. Tot zijn jongste dochter zei: „Pa, dit is niet goed voor je. Je moet stoppen met werken.” Jaspers dacht daarover na, gaf haar gelijk, en binnen twee weken stopte hij met zijn werk bij de krant. Maar helemaal stoppen lukte toch niet, debatten en Waaltochten organiseert hij nog steeds. Ook schrijft hij nog columns voor de Gelderlander.

„Van huis uit ken ik niet anders dan dat het werk nooit stopt. Mijn vader en moeder hadden een banketbakkerij met winkel in Maastricht en zeven kinderen. Beiden werkten in de bakkerij en de winkel en daarnaast zorgden ze voor ons. Ook ’s avonds en op zondag kwamen er klanten. Mijn ouders bleven werken na mijn vaders pensionering omdat mijn moeder de klanten wilde blijven bedienen. Het werk was hun leven. Dat fenomeen ken ik. Ik was zeven dagen in de week bezig, ook ’s avonds, veertien uur per dag. Ik wil de tijd nemen voor onderwerpen en mensen. Ik bereid mezelf altijd tot in detail voor en wil alles van een onderwerp weten voor ik erover schrijf. Het werk was mijn hobby en ik verwerkte hobby’s in mijn werk. Ik ben bijna afgestudeerd geograaf, dus de stadsontwikkeling interesseert me mateloos. Ik ben als grapje de Waaltochten gaan organiseren. Ik dacht dat een of twee keer te doen, maar ondertussen zijn er meer dan zeshonderd tochten geweest en varen we nog steeds. Ik wilde als lokale journalist reuring. En ik wilde meewerken aan de ontwikkeling van de stad; geen toeschouwer zijn, maar deelnemer. In de jaren negentig kwam in de journalistiek burgerjournalistiek op, het betrekken van burgers bij ontwikkelingen. Ik heb een groot archief op mijn werk en thuis en we bouwden in de jaren negentig bij de krant een netwerk op van enkele duizenden mensen op die we regelmatig via de mail om hun mening vroegen. Voor die tijd was dat vernieuwend.”

Botsingen
„Ik wilde graag bijdragen aan oplossingen voor problemen in wijken. Daarom organiseerde ik in 2004 zo’n vijfentwintig wijkdebatten om kwesties in de wijk aan te kaarten en liefst op te lossen. Aan die avonden verbonden we steeds een vrijwilligersprijs voor actievelingen in de wijk, met nominaties, zodat er alleen daarvoor al zestig mensen van allerlei groepen kwamen. Ik haalde er bedrijven en politiek bij, maar niet op de eerste rij, daar zaten de bewoners. Als journalist was ik vrijer om dingen te benoemen dan een wethouder en kon ik meer zeggen tegen bestuurders en bewoners. Ik kijk er met grote tevredenheid op terug. Ik zie nog steeds initiatieven die vanuit die avonden zijn ontstaan zoals het hardrenparcours in Lindenholt.
Met oud-wethouder Tankir, toen directeur van InterLokaal, organiseerde ik debatten over de gekleurde samenleving. We nodigden ook tegenstanders uit. Soms waren er botsingen, soms verrassende gesprekken. Nu zit de wereld anders in elkaar en ontmoet je elkaar veel digitaal. De digitale wereld is heel snel. Ik heb altijd gepleit om bij bepaalde onderwerpen te kiezen voor langzame journalistiek, om dingen vooral goed uit te zoeken en te checken, en ook zeker de tegenpartij op te zoeken. Die onderwerpen zijn ook na twee weken nog belangrijk, juist door de toevoegingen die je doet. In deze tijd is trage journalistiek misschien nog wel belangrijker geworden. De media krijgen nu snel de schuld van het meegaan met de waan van de dag en de oppervlakkigheid. Maar ligt de schuld ook niet bij de lezer? Die leest steeds meer alleen digitaal nieuws en dat gaat dan over het eigen netwerk en volgens Google passend bij de opvattingen van de lezer. Je wordt gevoed met dat wat je eerder zocht.”

Handelsreiziger
„Ik verdiep mij bewust in mensen met ideeën die lijnrecht tegen de mijne ingaan, om te achterhalen waarom zij zo denken. Dat levert regelmatig verrassingen op. De mevrouw uit Friesland die opriep voor de demonstratie tegen de anti-zwartepieten blijkt zich in haar privéleven enorm in te zetten voor vluchtelingen.
Ik woon in de Herman Oolbekkinkstraat, vernoemd naar een verzetsstrijder die verraden is door een handelsreiziger. Toen ik dat uitzocht bleek de zus van die handelsreiziger getrouwd met een Joodse man en hadden zijn ouders Joodse onderduikers. Die zijn nooit opgepakt. Dan zie ik in mijn hoofd allerlei mogelijke beweegredenen van die handelsreiziger om het verraad te plegen. Welke druk is op die man uitgeoefend door de Duitsers? Heeft hij wellicht mensen in zijn familie willen beschermen? Je weet het niet. Maar wat ik geleerd heb, is dat de meeste verhalen niet zwart-wit zijn. Ik ben gefascineerd geraakt door de oorlog en vredesvraagstukken toen ik begin jaren negentig naar herdenkingen ging en merkte dat er nauwelijks mensen kwamen. Hoe kon het dat deze belangrijke thema’s zo weinig leefden bij mensen? Het bombardement op Nijmegen was een weggedrukt verhaal. Eind jaren negentig was er een eerste vertelfestival over wat er echt gebeurd was. In het Vrijheidsmuseum word je nu geconfronteerd met concrete levens en situaties in de oorlog met de vraag wat jij in die bepaalde situatie zou doen. Dan merk je hoe moeilijk het is om te doen wat we nu het goede vinden. Mensen worden meegesleept door de tijd. Politie en ambtenaren krijgen nu het verwijt dat ze meewerkten aan de deportatie van de Joden. Onderzoek leert dat er best veel agenten op verschillende manieren sabotage pleegden, maar dat het erg moeilijk was om in de hiërarchische gezagsgetrouwe organisatie in verzet te gaan.”

SS-Legioen
„Toen Nijmegen de stedenband met de Russische stad Pskov aanging ben ik daar in tien jaar tijd zo’n twintig keer geweest om het leven daar te onderzoeken. Het was perestrojkatijd en de Russen waren erg geïnteresseerd in ons leven. Ik haalde jongeren van daar naar hier, werkte een paar maanden bij een Russische krant en vulde daarna acht jaar een pagina in die krant, onder meer over onze omgang met vrijheid, seksuele vrijheid en homoseksualiteit en de botsingen met de politie. De hogeschool van Pskov had een studierichting Nederlands en die studenten vertaalden mijn teksten. Ik leerde zelf ook Russisch. Ik hoorde in Pskov van het SS-legioen waarin 22.000 Nederlanders zaten en die ook vochten bij Pskov, Novgarod en St. Petersburg. Ik vroeg me af waarom die Nederlanders dat deden.
De beruchte NSB’er Rost van Tonningen stichtte in Rusland tussen 1940 en 1943 een visserskolonie bij het Peipusmeer. Ik kwam erachter dat de jongens die daaraan deelnamen vissersjongens waren wiens boten waren afgepakt door de Duitsers. Ze gingen mee om te kunnen vissen en brood op de plank te hebben. Een aantal van die vissers vocht uiteindelijk mee met het Russische verzet. Weer zo’n verhaal dat niet zwart-wit is. Er zijn weinig mensen die terugbladeren naar het verleden. Ze willen vooruitkijken. Maar ik snap dat niet. Er liggen zoveel lessen om te leren over onze fouten en onze successen, over de betekenis van onze vrijheid nu. We moeten die verhalen kennen. Daarom heb ik in 2019 een grote herdenking van het bombardement op Nijmegen georganiseerd langs de brandgrens en ijverde ik voor meer straatnamen met verzetsmensen. Gelukkig gaan die er, in Lent, ook komen.”


U kunt reageren op dit artikel via een e-mail naar redactie@denijmeegsestadskrant.nl